– Heidi

‘Oh jemig, daar moet mijn man dan straks aan de deur echt streng op controleren’ verzucht de zwangere vriendin die me de deur uitbonjourt omdat mijn lippen nog korstjes vertonen van een koortslip die ik een aantal dagen eerder had.  ‘What are you doing? No, get up, nòw,’ zegt de Indiase vriend verontwaardigd als ik net met een aantal met HIV besmette kinderen op de grond ben gaan zitten voor hun lunch.
‘Nee sorry, bij die zwaarte van jou wil ik niet in de buurt zijn,’ – en weg is ze, de vriendin die ik eerlijk vertel hoe donker de wolken zijn die over me heen trekken. En de vriendin die ik in coronatijd bezoek zegt niet eens iets, ze krimpt met een gezicht van angst en afschuw ineen als ik in haar beleving te dichtbij kom. 
Hoe is het om door een ander mens als een bedreiging te worden ervaren?
En om jezelf en/of een ander mens zo te beleven?
Als een poging tot toenadering wordt geweigerd? Fysieke nabijheid om gezondheidsredenen of welzijnsoverwegingen uit de weg wordt gegaan? Iemand schrikt en/of boos wordt vanwege je aanwezigheid ergens? Je voortdurend afstand van anderen dient te houden? Als je hyperalert wordt op elk kuchje en snufje dat je hoort? Je je eigen expressie inhoud, niet wetend wat er in je huist en/of wat dat voor effect kan hebben? Je je eten niet meer delen kan/mag/durft?
Ik word er naar van. Het raakt me.

Het druist zo in tegen wat ik als mijn natuurlijke, menselijke neiging beschouw: om te omarmen, te delen, aan te raken, verbinding te zoeken, nabij te zijn.
Tegen hoe ik zou willen leven ook: spontaan, vol overgave, met het nodige risico. En het bekrachtigt zo sterk mijn uit pijn ontstane beweging: om me terug te trekken, onzichtbaar te maken, mijn lijf te verlaten, mezelf te veroordelen, vooral maar niet tot last te zijn. Het zijn bizarre tijden. We zitten met covid-19 middenin een tweede golf en een tweede lockdown. En ik vraag me niet alleen af wat dit met onze gezondheidszorg, ons klimaat, onze (on)gelijkheid, onze politieke structuren, onze wereldverhoudingen, onze economie doet; ik vraag me vooral ook af wat dit met onze (mede)menselijkheid doet. Als ik dan ergens lees dat we als ‘ongedierte’ voor elkaar zijn geworden of iemand hoor die zich ‘melaats’ voelt, dan kan ik het alleen maar hartgrondig met Brené Brown eens zijn: dat het van ongelooflijk groot en wezenlijk belang is dat we elkaar ten allen tijden als mens blijven waarnemen en erkennen. Met alles wat daarbij hoort. Dus ook met onze relatie tot en plek temidden van alle leven.