• Neela Paulussen

Toen mijn moeder wist dat ze ongeneselijk ziek was, zei ze tegen velen: “Ik ben terminaal, maar jij ook hoor.” In deze woorden zat een waarheid waar niemand omheen kon en een confrontatie waar niet iedereen op zat te wachten. De rouw over de dood van mijn moeder nam een vogelvlucht de diepte in toen tegelijkertijd de wetenschap over de klimaat- en ecologische crisis zich aan mij opdrong. Vele wetenschappers zeggen dat het erger is dan dat de politiek en media ons voorhoudt, veel erger. Hoe meer ik lees en weet, hoe meer waarschijnlijk het lijkt dat de domino van dramatische klimaatrecords het worst-case scenario waar gaat maken. Kritieke drempels in het klimaat kunnen binnen enkele jaren overschreden worden waardoor er een chaos kan ontstaan waarvan niemand de inhoud nog kan voorspellen. Ik wil dapper genoeg zijn om mezelf de vraag te stellen, wat als dit echt, echt waar is? Het brengt me op hetzelfde punt als mijn moeder. Dan ben ik terminaal, en jij ook. Omdat wij, de mensheid, de aarde onleefbaar voor onszelf maken. Dan leven we in een hospice. Overlijden doen we natuurlijk allemaal. Maar dat er een aanzienlijke kans is dat ik en mijn kinderen zullen overlijden aan de gevolgen van klimaatverandering heb ik pas het laatste jaar echt tot me door laten dringen. Ik vermoed dat het wel eens snel kan gaan. Ik kan niet weten of dit waarheid gaat worden, maar ik zie het somber in. Ik ben hierin niet alleen, de groep mensen die dit werkelijk tot zich door laat dringen is groeiende. Het voelt vaak wel alleen.

Wat mij ontzet is dat de wetenschappelijke kennis zo weinig tot de harten is doorgedrongen. Ondanks dat de cijfers al tientallen jaren bekend zijn is het vooruitgeschoven en ontkent. Het is te groot om te geloven en daarom bijten we onszelf als mensheid in de staart. We nemen meer dan wat de aarde kan geven, en sneller dan dat de aarde zich kan herstellen. We zijn als mensheid een parasitair soort geworden. We ervaren onszelf vaak als afgescheiden van de natuurlijke wereld, en daardoor superieur aan. De lichtheid van zoveel herinnert me aan de zwaarte van wat er komen gaat. De ontkenning die pervers wordt geëtaleerd in reclamebeelden, in het vlees in de schappen van de supermarkt, in de belobbyde politiek die bakken met geld blijft pompen in korte termijn oplossingen die op lange termijn de schade alleen maar groter maken, in bedrijven die op basis van fossiele brandstoffen door willen blijven groeien en doen alsof ze niet weten welke gevolgen dat heeft, in de boodschap dat een beter milieu bij jezelf begint, in berichten over persoonlijke ontwikkeling op social media waarin het niet hierover gaat. De schijnveiligheid van business-as-usual vervreemdt me en beangstigt me. Het is alsof ik in twee werelden leef. En het brengt grote golven rouw.  

Ik herken de vijf fasen van rouw die Elisabeth Kübler-Ross beschrijft: ontkenning, woede, onderhandelen, verdriet en depressie, en acceptatie. Ook ik leef deels in ontkenning. Ik vervuil, ik heb  bloed aan mijn handen. De ontkenning hiervan geeft me ademtijd, maar wel steeds minder. Soms ben ik woedend, omdat er dromen gestolen lijken te zijn. Dan zou ik het liefste iedereen die ontkennend beleid maakt op zijn minst persoonlijk door elkaar willen schudden. Soms probeer ik te redden wat er nog te redden valt. Zo stond ik vorig jaar trillend van spanning oog in oog met de politie in een blokkade van de geweldloze burgerbeweging Extinction Rebellion. Bereid om wetten te overtreden die ik niet langer kan steunen omdat deze wetten horen bij een systeem dat het leven niet ondersteunt. Zonder enige garantie dat mijn opstand iets opleverde behalve dan voor mijzelf, want in het opstaan vind ik mijn kracht. Op andere momenten onderhandel ik met hoop. Dan maak ik vluchtplannen, verhuizen van het land wat onder water gaat lopen, en dan zaai ik met een onweerstaanbare drang plantjes. Of ik verzin tegen beter weten in verhalen over Het Grote Ontwaken wat zal gaan gebeuren of over technologische oplossingen die ons toch nog misschien gaan redden. Er zijn dagen gekleurd in grijs verdriet, als ik denk aan de verwachtingen voor het leven van mijn kinderen en als ik zie hoe we ogenschijnlijk naïef doordenderen. Soms trekt de matheid. Dan verdwijnt mijn spierspanning. Een doffe zwaarte waardoor ik niet weet waarvoor ik op zou staan en of ik wel adem kan blijven halen onder het drukkende geduw op mijn borst. En als ik het me laat meenemen, als ik me niet meer verzet, als ik de donkerte laat komen, als ik kan vragen of een dierbare me vasthoudt, dan komt mijn lijf met trillen, tranen en diepe gapen weer tot leven. Als ik me herinner dat ik de zuurstof inadem die de planten en het plankton in de zee hebben bijgedragen aan het leven en dat zij zich weer voeden met mijn uitademing weet ik weer, ik leef, nu. Dit is mijn levende lijf, mijn kloppende hart. Iets geeft zich over. En dat brengt zo’n onbenoembare tederheid en dankbaarheid voor het leven met zich mee. Voor de zwaluwen die spelen met de wind, voor de bloemen die tussen de stenen door naar het licht groeien, voor de ontelbare kleuren groen en de schitteringen van de zon in het water, voor de stilte van de bergen en de draagkracht van de aarde. Voor de onwetendheid en de onverwerkte pijn van medemensen die de drijfveer moet zijn van de ontkenning. Voor alle eenzaamheid. Voor alle gescheidenheid. Voor al het verlies. Een opzwellende ontroering neemt me mee, er is zo ongelofelijk veel liefde voor het leven. De overgave maakt me stil, nederig, op een fijne manier. Even ontslaat het me van mezelf.
Van de schuld, van de angst, van het denken te weten, de superioriteit.
Ik ben.
Dat is even genoeg.