-. Sebastiaan de Vries, http://www.lijfengeest.nl

Het flessenrekje van de ijskast is stuk. De afgelopen maand is het al een paar keer gebeurd dat ik de ijskast open en dat ik het volgende moment met een fles in mijn hand sta. Geen alcoholprobleem, maar nog voor ik heb kunnen nadenken wat er is gebeurd, heb ik gereageerd en de fles die dreigt te vallen opgevangen. Ik ben een lichaam. Een doelgericht organisme dat betekenisvol is afgestemd op zijn omgeving. Ik neem mijzelf met de fles in mijn hand waar, precies op de grens tussen lichaam en geest, tussen bewust en onbewust. Niet denken, maar doen. Geen taal, maar actie. En toch kan ik er een logisch, samenhangend verhaal over vertellen, achteraf. Een verhaal waarmee ik mezelf identificeer als een doelgericht wezen. Het fascineert me hoe de geest met ons lichaam is verbonden. Ik en mijn lijf, het is de meest basale verdeeldheid in mij. Hoe zou dat zijn voor een baby? Nog geen taal en ook niet de ervaring en oefening om iets op te kunnen vangen, laat staan in een reflex. Maar wel al de doelgerichte beweging, waarmee de baby de borst vindt en het zuigreflex dat hem zeer doelgericht bezorgt wat het nodig heeft: voeding.

Wat kan er in hemelsnaam misgaan in dit pure geluk dat een lichaam is? Het lijfje van de baby beschikt nog vrij over zijn emoties. Niet alleen blijdschap, als het contact maakt of eten krijgt, maar ook verdriet, boosheid en angst volgen elkaar in korte tijd naadloos op. Geheel vrij, nog niet het bewustzijn om eraan vast te houden: ‘Ik ben boos en ik zeg niks meer!’ of ‘Ik ben verdrietig en het komt nooit meer goed!’. Als baby ben ik een lijf. Ik ben helemaal overgeleverd aan mijn emoties op het moment dat ik ze ervaar. Er is niets tussen. Later leer ik: ‘ik heb een lijf’. Ik ervaar de emoties in mijn lijf, maar ik heb ook al enige afstand genomen. Door het geven van een naam, door de taal, kan ik mijn werkelijkheid bemeesteren: “Mama, papa, ik!”. Er ontstaat een wereld en ik word mens. Hoe krijgt de baby zelfbewustzijn? Een mysterie, maar we kunnen wel zien dat het proces verloopt via spiegeling. De moeder of verzorger interpreteert wat het kind nodig heeft, benoemt het en verzorgt het kind. ‘Moet je huilen? Ah, ik zie het al je hebt een schone luier nodig’ of ‘Ja, je hebt honger hè? Kom maar bij mama dan gaan we eten.’ Het oogcontact met de baby is in deze eerste fase van zijn ontwikkeling heel belangrijk. Het oogcontact maakt het veilig voor de baby. In de spiegeling van de gelaatsuitdrukking leert het zijn eigen emoties kennen en reguleren.

Dit proces verloopt nooit perfect. Dat is zelfs niet de bedoeling. In een gezonde ontwikkeling worden fouten gemaakt. Een verzorger kan er soms niet zijn of een verkeerde interpretatie maken wat de baby nodig heeft. Niemand komt er ongeschonden doorheen. We leren om te gaan met deze gebreken. Het volwassen worden betekent leren omgaan met onze onvolmaaktheid. We accepteren dat we verdeeld zijn. We zijn noch geest noch lichaam. Iets is nooit alleen maar goed en nooit alleen maar fout. Er mag twijfel zijn. De taal helpt ons hierin te bemiddelen. En iedereen lijdt er wel eens onder. Het is de menselijke natuur dat er geen sluitende antwoorden zijn op onze grote levensvragen. Het doel is ook niet het antwoord te vinden, want dat bestaat eenvoudig niet. Het doel is het proces te verfijnen, zodat de emotie en de expressie, lijf en geest, in steeds subtielere beweging op elkaar betrokken zijn. Mijn lijf krijgt wat het nodig heeft, terwijl ik ook ben ingebed in de grote talige gemeenschap die wij samen vormen en die bepalend is voor mijn identiteit. De anderen maken ons tot mens. En soms weten we het even niet meer en zoeken we hulp bij de ander. Wanneer het op een geven moment moeizaam gaat in ons leven, dan kan de kern van de problematiek teruggaan tot onze eerste levensjaren. De jaren dat wij via spiegeling in de taalgemeenschap werden opgenomen en ons eerste zelfbewustzijn creëerden.  De jaren dat wij hebben geleerd om de sensaties of affecten in ons lijf een naam te geven. Want die basisvaardigheid blijft essentieel. Ook als wij later voor meer complexe prikkels vanuit de buitenwereld komen te staan, is het verwoorden daarvan via het luisteren naar ons eigen lichaam cruciaal. Ons lijf is ons kompas. In onze eerste levensjaren, waarin wij dit kompas leren gebruiken, kunnen er twee verstoringen optreden: er worden te veel of te weinig spiegelingen aangeboden. 

In het eerste geval is het proces van spiegeling eigenlijk ‘te goed’ verlopen. De baby leert de sensaties in zijn lijf te benoemen en daar komen steeds nieuwe interpretaties en betekenissen bij. ‘Poep is vies.’ ‘Ik ben een jongetje en jij bent een meisje.’ ‘Ik moet stil zitten.’ ‘Ik ben lief want ik ben gehoorzaam.’ De spiegelingen en begeleidende interpretaties die we internaliseren worden deel van onze identiteit. Van meet af aan zitten daar strijdigheden in. Van papa mogen we andere dingen dan van mama. Eerst ben ik trots dat ik gepoept heb, en later is het vies. Met het ouder worden raakt onze identiteit steeds gelaagder en complexer. Dan kan er een moment in je leven zijn dat de tegenstrijdigheden in je identiteit zo groot worden, dat je daardoor klem komt te zitten. Grofweg is dit het terrein van de klassieke psychoanalyse die het complex van identificaties helpt ontwarren en zorgt dat we weer heldere, eigen keuzes kunnen en durven maken.

De andere mogelijkheid is dat er juist te weinig spiegelingen en interpretaties zijn. In de vroege kinderjaren zijn er te weinig spiegelingen, of is er te weinig spiegeling aangeboden waardoor het kind onvoldoende heeft geleerd de affecten of prikkels die zich aandienen in het lichaam te benoemen. Klachten uiten zich later vaak lichamelijk in bijvoorbeeld paniek- of eetstoornissen, verslavingen en ook burn-out. Bij een burn-out zie je heel letterlijk dat er langere tijd niet naar het lichaam geluisterd is. De signalen om het wat rustiger aan te doen worden simpelweg niet opgevangen, of genegeerd. Dit type van klachten komt de afgelopen 30 jaar meer en meer voor. Het verband met onze gejaagde samenleving, waar moeders op de smartphone kijken terwijl ze voeding geven en dus geen spiegelingen aanbieden, ligt voor de hand. De kunst van het leven is de afstemming van lijf en geest in evenwicht te houden. Zit je wat te veel in je hoofd met bijvoorbeeld allerlei conflicterende interpretaties over je eigen identiteit, dan is je lijf je kompas om weer de juiste prioriteiten te stellen. Welke interpretaties zijn van jou en welke oordelen heb je overgenomen en zitten je in de weg? Lijfwerk kan je helpen om daarin je weg te vinden door terug te gaan naar de basis, het lijf. Ben je prikkelbaar of heb je lichamelijke klachten die je niet thuis kan brengen of benoemen, dan kan het zijn dat je in die eerste levensjaren te weinig spiegelingen hebt gekregen. Terwijl je inmiddels een grote woordenschat hebt, zelfs verschillende talen spreekt en complexe problemen kan verwoorden, kan je misschien niet zo goed voelen waar er spanning in je lijf zit, waar het warm is of koud, waar het fijn voelt en waar je misschien helemaal niets voelt. Het onderzoek hiernaar is typisch voor lijfwerk. Het benoemen van al die sensaties vergroot je lichaamsbewustzijn en helpt om meer alert te zijn wanneer en onder welke omstandigheden spanning zich opbouwt. Zo ontdek je wat je echt nodig hebt.

Ik sta met een fles in de hand en verwonder me over mijn lijf. Over de snelheid waarmee het reageert zonder dat ik daarover heb hoeven na te denken. Het lijf heeft een wijsheid die over miljoenen jaren is geëvolueerd. Het verhaal dat wij erover vertellen is pas helemaal aan het eind van die ontwikkeling eraan toegevoegd. Het zijn interpretaties die nooit volledig zijn en altijd weer nieuwe vragen opwerpen. Het lijf is de onderbouw van de geest en zoals alle lijfwerkers weten, het lijf liegt nooit! Maar dat is natuurlijk ook weer niet helemaal waar.