– Heidi

Als ik terugkom van boodschappen doen en mijn straat in loop, zie ik in de deuropening van een woning een brancard onder aan de trap staan. Ik schrik. Razendsnel schiet er van alles door mijn hoofd wat er aan de hand zou kunnen zijn: beelden van mensen binnen, gebeurtenissen die eraan vooraf zouden kunnen zijn gegaan, emoties die daar misschien mee gepaard gingen, potentiële aflopen. En razendsnel worden die vele mogelijkheden ook weer gefilterd, doordat ik nergens een ambulance zie staan. En dan, ietsje verderop op de stoep, een grote zwarte auto ontwaar. Hier is niemand ziek geworden of gewond geraakt. Hier is iemand dood gegaan.
Ik ken de persoon niet die er woonde. Weet ook niet of diegene vrienden, familie of huisgenoten in de woning achterlaat. Toch besef ik, ervaar ik: mijn straat is nu weer anders dan voorheen.

Dat levert me een associatie op met mijn Pakistaanse oma, die ruim drie jaar geleden overleed. Ik heb het vermoeden dat haar dood me op een bepaalde manier ook tegenhoudt weer bij mijn vrienden en familie aldaar op bezoek te gaan. Ik kan me het land, jawel, het dorp, de dagen, zo slecht voorstellen zònder haar. Hoe doet het huis aan zonder haar geprevel in de vroege ochtend? Zonder haar sneer naar de kleinkinderen af en toe, dat ze te onrustig zijn? Wat is het dorp zonder het boontjes plukken en doppen samen? Iets voelt leeg: met haar vertrek is een generatie opgehouden aards te bestaan.

Ik word er melancholisch van. Hoe vaak verandert mijn omgeving nog door de dood van samenstelling? Hoe snel zullen mijn herinneringen aan momenten en dierbaren vervagen? Welke plek hebben fysieke ontmoetingen in mijn ervaring van verbinding? Wanneer zullen ze mij mijn huis uit dragen?
Het is nog een hele kunst om die vragen, gebeurtenissen en veranderingen telkens opnieuw echt binnen te laten komen. Èn ook om ze – waar mogelijk – actief vorm te geven. Mijn oma bracht in een paar uur een behoorlijke stoet mensen op de been, die haar lichaam naar haar laatste rustplaats begeleidden. Een stoffige weg, veel gebeden – en ook daar een soort brancard en een wit laken. Ik appte met mijn oudere broer, huilde en brandde kilometers verderop een kaarsje voor haar.
En nu ga ik, aarzelend en al, naar buiten om met mijn buurtbewoner in gedachten een bloemetje te planten.