vrijheid

In de trein van Groningen naar Bussum zat ik met mijn mondkapje voor op een stoel met sticker wat te werken. Aan de andere kant van het gangpad was een meisje van een jaar of 16 druk in haar mobiele telefoon verdiept. Ze had haar mondkapje over haar mond, maar niet over haar neus en ze zat regelmatig te sniffen en te hoesten. Ik ergerde me eraan maar vond het ‘vergrijp’ niet groot genoeg om er wat van te zeggen. Bij Almere moest ik eruit om over te stappen. Het meisje stond ook al in het halletje bij de deur, maar nu met haar mondkapje helemaal af en nog steeds sniffend en hevig verdiept in haar ‘me-machine’, zoals de Amerikanen zeggen. Ik was nu veel dichterbij haar en zei, lichtelijk trots dat ik een medeburger in het publieke domein aansprak: “Ik hoor je de hele tijd sniffen en hoesten. Je moet je mondkapje voordoen.” Verstoord keek ze op. “Wat zégt u?” (Ik had mijn mondkapje nog voor en was daardoor waarschijnlijk minder goed verstaanbaar.) Ik herhaalde mijn twee zinnen, nu enigszins aan mijn eigen mondkapje trekkend zodat ik wat beter verstaanbaar zou zijn. “Je moet je mondkapje voordoen.” Ze keek me nijdig aan en zei: “Ik moet er zo uit.” En toen: “U heeft niks over mij te zeggen!” “Ik heb wel wat over je te zeggen,” probeerde ik nog, verbouwereerd (En: “Ja, dat hebben we wel!” voegde een net als ik oudere medepassagiere zich nu in het gesprek, terwijl de trein bijna tot stilstand kwam), “We doen dit samen.” Maar het feit dat ik op haar autonomie ingebroken had, dat de vrijheid die ze zich waarschijnlijk als circa 16-jarige net aan het bevechten was, door een vreemde beknot werd, was al het breekpunt geweest. Zonder me nog een blik waardig te gunnen stapte ze, met mondkapje af, als eerste uit.

“Verdorie,” dacht ik, terwijl ik het perron opliep en het meisje nakeek, “dit had ik als docent Communicatie toch beter kunnen oppakken. Wéér een meisje de wereld ingestuurd met een bevestigd vooroordeel over priviliged witte oude mannen die de wereld regeren. Hoe had ik dat nou toch beter kunnen doen?”

Misschien had ik het gewoon kunnen vragen in plaats van verordonneren, dat zou al beter geweest zijn: “Zou je je mondkapje óók over je neus willen doen? Ik hoor dat je verkouden bent.” Maar dan had ze waarschijnlijk gezegd: “Ik zit drie meter van u vandaan hoor, dat is ver genoeg.” En dan waren we in discussie gekomen – kansloos. De kwetsbaarheidskaart spelen dan? “Ik ben al bijna 63, ik hoor tot de risicogroep, ik durf de trein niet meer in wanneer mensen zich niet aan de regels gaan houden en ik moet naar mijn werk….”  – Mmmm, al ietsje beter, maar uitkomst nog ongewis…

En gewoon contact maken, waar het in ons werk bij Bodymind altijd over gaat? Bijvoorbeeld iets in de trant van: “Benauwd zeker, hè, zo’n mondkapje, als je verkouden bent. Wil je een zakdoekje van me hebben?” En dan: “Ik wil wel even ergens anders gaan zitten, als je zo verkouden bent, want ik hoor tot de risicogroep en als ik corona krijg, wordt het gevaarlijk voor me. Of vind je het geen probleem om je mondkapje goed voor te doen?” Tja, als ik ergens anders ga zitten, dan wordt er aan míjn vrijheid getornd, da’s ook zo wat…

De grens tussen ik en de ander, waar ik de ander respecteer maar ook mijn eigen grenzen bewaak, waar ik me aanpas en waar ik mijn autonomie neem – je kunt het allemaal in regels vatten, maar het speelt zich uiteindelijk toch altijd in de alertheid van het moment af. En wanneer het mis gaat, probeer je erop te reflecteren of het misschien zelfs nog te repareren. Ik hoop dat ze dit stukje leest.